Religie zegt iets over ‘hoe het is’

Promotie Niek Brunsveld

Net voor Kerst de promotie van theoloog Niek Brunsveld (31) aan de Universiteit Utrecht bijgewoond. Zomaar uit interesse. Hij promoveerde op het proefschrift The Many Faces of Religious Truth. “Religieuze uitspraken kunnen wel degelijk waar of onwaar zijn”, kopte het persbericht dat mij triggerde.

Toch is een promotieplechtigheid niet echt de plaats om veel op te doen over de inhoud van het onderzoek zelf. Daarvoor is het inderdaad te zeer vooral een plechtigheid, een imponerend, om niet te zeggen afschrikwekkend, ritueel. Hoogleraren in toga’s, de kleine, sjieke Utrechtse senaatzaal, waar 500 jaar ernstige geleerdheid in de vorm van wanden vol hoogleraarsportretten op je neerkijkt.

Bij een promotie val je als buitenstaander in een al lang lopend gesprek. Krijgt de promovendus aan sommige universiteiten nog de gelegenheid om in tien minuten in eenvoudige bewoordingen uit te leggen waar zijn proefschrift over gaat, in Utrecht houden ze het graag klassiek. De promovendus wordt drie kwartier lang doorgezaagd over zijn onderzoek in het academische Latijn van onze dagen, het Engels. Knap en indrukwekkend!

De abstractie en het hoog specialistische gehalte van gesprek maken dat het geheel in eerste instantie nogal wereldvreemd aandoet, wetenschap in een ivoren toren. Maar toch viel mij bij deze gelegenheid vooral op hoe sterk op communicatie gericht wetenschap juist is. Zeker dit type wetenschap, godsdienstwijsbegeerte, waaraan geen experiment te pas komt, en waarbij je je kunt afvragen hoe het zit met de empirische input. Het draait eigenlijk vooral om de vraag: ‘Hoe logisch consistent is je verhaal en is je verhaal voldoende in dialoog met anderen.’ Brunsveld zal vast hele boekenkasten hebben doorgeploegd, toch kwamen nogal wat vragen van de ‘hooggeleerde opponenten’ neer op de kwestie of hij wetenschapper x of y wel voldoende in zijn onderzoek had betrokken. En of hij zijn eigen conclusies en bevindingen wel voldoende vergeleken had met bevindingen van anderen. Leek zijn positie niet teveel op een ‘strong man’-positie, een eenzame stellingname die door geen enkele andere wetenschapper gedeeld wordt? Dan zit je niet goed, zo was de boodschap.

Maar Niek Brunsveld zat wel goed, zo was uiteindelijk het oordeel van het college van hoogleraren: cum laude behaalde hij zijn doctorstitel.

Maar nu dan toch iets over de inhoud. Wat mij fascineerde – tenminste zo vatte ik de aankondiging op – is dat een religieuze visie blijkbaar óók iets zegt over ‘hoe het gesteld is’ met de wereld. Met andere woorden:  religie heeft – niet alleen, en misschien niet op de eerste plaats – maar in ieder geval toch óók een kenwaarde. Religieuze uitingen zijn vatbaar voor het oordeel ‘waar’ of ‘onwaar’. Religies zeggen iets over ‘hoe het is’ met de werkelijkheid waarvan wij deel uitmaken.

Dat is heden ten dage geen gangbare opvatting. De uitspraken ‘God is liefde’ of ‘Allah is groot’ worden niet geacht een stand van zaken uit te drukken. Voor zover niet als onzinnige taal terzijde geschoven worden ze opgevat als subjectieve expressies. Religieuze taal is taal die iets weergeeft van de gemoedsgesteldheid van de spreker, maar niet van de aard van de werkelijkheid waarin de spreker leeft, laat staan van de aard van de werkelijkheid in het algemeen.

Uiteindelijk ligt aan het verhaal van Brunsveld over religie een kennistheoretische exercitie ten grondslag. Zijn onderzoek betreft een kritische verwerking van de filosofie van de Amerikaanse filosoof Hilary Putnam. Wat ik er tijdens zijn promotie van opving: Brunsveld bekent zich tot het (kritisch) realisme. “Er is geen gat tussen de kenner en de werkelijkheid.”  Met onze denkbeelden zijn wij altijd al – in een soort van onmiddellijke aanwezigheid – verwikkeld ín de werkelijkheid. Onze concepten zijn geen interpretatie van ruwe data an sich, zodat er een ‘gap’ zou zijn tussen onze interpretaties van de dingen en de dingen zelf. Het hanteren van concepten is onze manier van in de werkelijkheid geïnvolveerd zijn. Dat geldt ook voor de religieuze concepten. In die zin drukken ook religieuze uitingen, en in bredere zin zingevingskaders, iets uit van hoe de wereld is.

Kortom: een boeiend geheel, dat vraagt om nadere beschouwing. Als in religie niet alles even waar is, wat is dan het criterium voor religieuze waarheid? En wie maakt die waarheid dan uit? Wat is het eigene van religieuze waarheid bijv. in vergelijking tot wetenschappelijke waarheid? Wat is de praktische relevantie van dit onderzoek voor de gelovige/levensbeschouwelijke zoeker? Wat zijn de implicaties voor de dialoog tussen de godsdiensten? In de wetenschap worden zaken die de toets der kritiek niet kunnen doorstaan op een gegeven moment ter zijde geschoven. Maar religieuze waarheden laten zich niet ter zijde schuiven. Of toch wel?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML-tags en -attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>