Kun je godsbewijzen aanvoelen?

Nog iets over het godsargument van Emanuel Rutten

Wittgenstein zag filosofische problemen als valstrikken van de taal. Conceptuele verwarring. Daar moet ik aan denken als ik me op de logische hoogvlakte begeef waar Emanuel Rutten zich bevindt met zijn ‘godsargument’ (zie eerdere blog). Wat de echte filosoof volgens Wittgenstein te doen staat, is eigenlijk niet veel meer dan te helpen om uit die conceptuele verwarring te geraken. Een mooi beeld dat hij gebruikt is dat van de wespenval: een glazen fles waar de wesp als vanzelf is binnengekomen, maar bij God niet meer weet hoe hij eruit moet. De taak van de ware filosoof is een therapeutische: de weg wijzen naar de uitgang.

Ik herken die verwarring maar al te goed. Mijn persoonlijke nooduitgang is deze: terug naar het alledaagse. De gewone dingen. Met de neus in de frisse wind (letterlijk). En dan voorzichtig opnieuw beginnen, dicht bij de uitgang blijven, bij de gevoelde ervaring, bij het weten dat vóór of op de grens van de taal ligt. (Is dat niet het soort ‘weten’ waar Augustinus het over heeft als hij zegt wel te weten wat tijd is, zolang men hem er maar niet naar vraagt?)

De vraag is dan: op welke (denk)ervaring berust het godsargument van Rutten? Dat is nog niet zo eenvoudig navolgbaar, maar toch… Zelf zegt hij daarover dat zijn argument aanleiding kan geven tot de ontsluiting van een geheel nieuwe klasse (naast de drie klassieke) van filosofische argumenten voor het bestaan van God. Dat nieuwe type argumenten is afgeleid uit wat kenbaar is, oftewel uit wat al dan niet geweten kan worden.

Als je stilstaat bij wat kennen is, ‘weet’ je dan (zoals Augustinus ‘wist’ wat tijd was) wat kennis is? En stuit je in dat ‘weten’ dan op ‘iets’ dat je dichterbij God brengt? Als je stilstaat bij kennen dan stuit je wel op ‘iets’. Ik moet denken aan de filosoof Herman Berger: dat wij in ons kennen (op een bepaalde wijze) heel de werkelijkheid omvatten. In ons alledaagse weten van de afzonderlijke dingen, wordt ‘iets’ mee-geweten over het geheel (zoals het begin altijd aanwezig blijft in het actuele). Wij zijn ‘zo wijd als alle werkelijkheid’, zegt Berger: “een samentrekking van de oudnederlandse dichtregel ‘alle dinghe sijn mi te inghe, ic ben so wijt’ en Hegels definitie van de Geest: ‘Der Geist ist das Bewustsein alle Realität zu sein’. Zo wordt uitdrukking gegeven aan het wezen van de mens wiens intellect (…) transcendentale openheid is.” En Berger citeert Heraclitus: “De grenzen van de ziel zult gij niet vinden, zó diep is zijn woord!” Als in ons kennen iets meeklinkt van een openheid voor alles wat is, dan komt aan de mens “een moment van oneindigheid toe”. Is het dan raar om op God te stuiten als je geordend gaat nadenken over de implicaties van wat kennis is?

Meer over Herman Berger:
Geloof en rede
Eeuwig leven
Metafysica en mystiek

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML-tags en -attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>